Via deze pagina kun je onderzoeksstudies bekijken naar het Activate-programma.
Effecten van Activate op het blessurerisico
Hier vind je onderzoeksstudies waarbij is gekeken naar de effecten van het gebruik van Activate – klik op de links
Attwood et al., 2017 (klik op de naam om de volledige paper te downloaden)
Achtergrond: Trainingsprogramma’s die gericht zijn op het verminderen van blessures zijn effectief gebleken bij bepaalde niet-contactsporten, maar bewijs voor contactsporten voor volwassen mannen – zoals bij rugby – ontbreekt.
Doel: Het evalueren van de effectiviteit van een trainingsprogramma voor blessurepreventie voor bewegingscontrole voor het verminderen van wedstrijdblessures bij volwassen mannen in het rugby als breedtesport.
Methoden: 856 clubs werden uitgenodigd om deel te nemen aan dit prospectieve, cluster-gerandomiseerde (enkelblinde) onderzoek met controlegroep, waarbij clubs de eenheid van randomisatie vormden. 81 clubs meldden zich aan en de toewijzing aan die clubs vond willekeurig plaats (interventie/controle). Gedurende het seizoen werd een trainingsprogramma van 42 weken gevolgd. Bij het controleprogramma lagen de oefeningen in lijn met de ‘gangbare praktijk’ terwijl bij de interventie werd gefocust op oefeningen voor proprioceptie, balans, snelle richtingsveranderingen, landen en spierversterking. Uitkomstmaten waren de incidentie en belasting van wedstrijdblessures voor: (1) alle blessures met ≥8 dagen uitval en (2) specifieke blessures (benen, schouder, hoofd en nek, exclusief fracturen en snijwonden) met ≥8 dagen uitval.
Resultaten: Poisson-regressie liet geen duidelijke effecten zien op de totale blessureresultaten. Wel werd een waarschijnlijk gunstig verschil geconstateerd in de incidentie van geselecteerde blessures (rate ratio (RR), 90%-BI=0,6; 0,4 tot 1,0), met een 40% lagere incidentie van beenblessures (RR, 90%-BI=0,6; 0,4 tot 1,0) en een 60% lagere incidentie van hersenschudding (RR, 90%-BI=0,4; 0,2 tot 0,7) in de interventiegroep. Vergelijking tussen de studiegroepen bij clubs met de hoogste nalevingsgraad (≥ mediaan naleving) liet zeer waarschijnlijk gunstige afnames van 60% zien voor de incidentie van specifieke blessures (RR, 90%-BI=0,4; 0,2 tot 0,8) en de blessurebelasting van specifieke blessures (RR, 90%-BI=0,4; 0,2 tot 0,7).
Conclusies: Het blessurepreventieprogramma voor bewegingscontrole leidde tot waarschijnlijk gunstige afnames van beenblessures en hersenschudding. Een hogere nalevingsgraad voor de interventie ging gepaard met een lagere incidentie en blessurebelasting van de specifieke blessures.
Hislop et al., 2017 (klik op de naam om de volledige paper te downloaden)
Achtergrond: Er is veel aandacht geweest voor het blessurerisico bij jeugdrugby en dat benadrukt hoe belangrijk de ontwikkeling is van evidence-based strategieën om blessures te verminderen.
Doel: Het bepalen van de effectiviteit van een trainingsprogramma voor bewegingscontrole bij het verminderen van blessures bij jeugdrugbyspelers en het onderzoeken van het effect van de programmadosering op blessurecijfers.
Methoden: Bij een cluster-gerandomiseerd onderzoek met controlegroep werden 40 onafhankelijke scholen (118 teams, 3188 spelers van 14-18 jaar) toegewezen aan het interventieprogramma of een referentieprogramma, waarbij beide programma's moesten worden uitgevoerd door schoolcoaches. De interventie bestond uit balanstraining, krachttraining voor het hele lichaam, plyometrische training en het gecontroleerd oefenen van manoeuvres voor landing en snelle richtingsverandering. Blessures met uitval (>24 uur) die tijdens schoolrugbywedstrijden ontstonden, werden geregistreerd door coaches en medisch personeel.
Resultaten: In totaal werden 441 wedstrijdblessures met uitval gemeld (interventie: 233; controle: 208) over 15.938 blootstellingsuren tijdens wedstrijden (interventie: 9083; controle: 6855). De intention-to-treat-resultaten toonden onduidelijke effecten van de trial-arm op de totale incidentie van wedstrijdblessures (rate ratio (RR)=0,85; 90% betrouwbaarheidsgrenzen 0,61 tot 1,17), hoewel in de interventiegroep duidelijke afnames zichtbaar waren in de incidentie van hersenschudding (RR=0,71; 0,48 tot 1,05). Wanneer de vergelijking tussen trial-arms werd beperkt tot teams die gemiddeld drie of meer wekelijkse programmasessies hadden voltooid, werden in de interventiegroep duidelijke afnames geconstateerd in de totale incidentie van wedstrijdblessures (RR=0,28; 0,14 tot 0,51) en de incidentie van hersenschudding (RR=0,41; 0,17 tot 0,99).
Conclusie: Een preventief trainingsprogramma voor bewegingscontrole kan het aantal wedstrijdblessures, inclusief hersenschudding, verminderen bij rugbyspelers op schoolniveau vergeleken met een gestandaardiseerd controle-trainingsprogramma, hoewel spelers het programma minimaal drie keer per week moeten uitvoeren om de grootste effecten te bereiken.
Barden et al., 2022 (klik op de naam om de volledige paper te downloaden)
Doel: Van het effectieve Activate trainingsprogramma voor blessurepreventie is aangetoond dat het blessures voorkomt bij het Engelse rugby op schoolniveau. Nu moeten de implementatie en effectiviteit worden beoordeeld van Activate in de praktijk.
Methoden: Bij dit quasi-experimentele onderzoek werd een blessuredefinitie van 24-uur uitval gehanteerd om incidentie (/1000 uur) en belasting (dagen uitval/1000 uur) te berekenen voor individuen waarvan de teams Activate invoerden ( Activate toepasten gedurende het seizoen) in vergelijking met teams die het programma niet invoerden (non-adopters). Ook werd de dosis-respons-relatie beoordeeld voor verschillende niveaus van Activate naleving (mediaan: Activate sessies per week). Rugby-blootstelling op spelersniveau, sessie-invoering van Activate en blessuremeldingen werden geregistreerd door schoolfunctionarissen. Rate ratio’s (RR), gecorrigeerd voor cluster (team), werden berekend met behulp van achterwaartse stapsgewijze Poisson-regressie om de frequenties te vergelijken tussen invoerings- en nalevingsgroepen.
Resultaten: Individuen in teams die Activate invoerden, hadden een 23% lagere incidentie van wedstrijdblessures (RR 0,77; 95% BI 0,55 tot 1,07), een 59% lagere incidentie van trainingsblessures (RR 0,41; 95% BI 0,17 tot 0,97) en een 26% lagere belasting door wedstrijdblessures (95% BI 0,46 tot 1,20) dan individuen in teams die het programma niet invoerden. Individuen met een hoge Activate naleving (≥3 sessies per week) hadden een 67% lagere incidentie van trainingsblessures (RR 0,33; 95% BI 0,12 tot 0,91) en een 32% lagere incidentie van wedstrijdblessures (RR 0,68; 95% BI 0,50 tot 0,92) dan individuen met een laag nalevingsniveau (<1 sessie per week). Hoewel 65% van de teams Activate invoerde tijdens het seizoen gebruikte slechts één team Activate drie keer per week, waarbij volledige fases en programmavorderingen werden doorlopen.
Conclusie:
Activate is effectief in het voorkomen van blessures bij het Engelse rugby op schoolniveau. De focus moet liggen op factoren die de acceptatie en implementatie van het programma beïnvloeden, zodat Activate maximaal voordeel kan opleveren.
Implementatie van Activate
Onderzoeksstudies die hebben gekeken naar hoe Activate door coaches wordt geïmplementeerd en hoe de implementatie kan worden verbeterd:
Barden et al., 2021 (klik op de naam om de volledige paper te downloaden)
De Health Action Process Approach (HAPA) is een veelbelovend gedragsveranderingsmodel voor het positief veranderen van het blessurepreventiegedrag bij jeugdsportcoaches. Bij dit onderzoek werd het HAPA-model geïntegreerd in coach-trainingsworkshops voor Activate, een effectief programma voor blessurepreventie bij rugby. De primaire doelen waren het onderzoeken van het effect van de workshop op (1) de percepties van Engelse rugbycoaches op schoolniveau ten aanzien van blessurerisico en -preventie en (2) de invoering en naleving door die coaches van Activate. Secundaire doelen waren (3) het beoordelen van de verschillen in HAPA-constructen na het seizoen tussen workshopdeelnemers en niet-deelnemers en (4) het verkennen van verbanden tussen HAPA-constructen en de naleving van Activate. In de voorbereiding op het seizoen vulden alle deelnemers (n = 76) een nulmetingsvragenlijst in; 41 coaches kozen ervoor een workshop te volgen. Na het seizoen vulden deelnemers een vragenlijst in over HAPA-constructen en over de invoering en naleving van Activate gedurende het seizoen. De workshop had geen invloed op de percepties van coaches over blessurerisico en -preventie. Deelnemers hadden een significant hogere invoeringsgraad voor Activate (95% tegenover 54% χ² = 17,42, p < 0,01) en naleving (mediaan = 2 sessies tegenover ≤1 sessie per week; z = 3,45, p = 0,03) dan niet-deelnemers. Na het seizoen hadden deelnemers een significant hogere taakspecifieke zelfeffectiviteit (z = −3,46, p < 0,05) en intentie (z = −4,33, p < 0,05) om Activate te gebruiken. Deze resultaten pleiten voor het inzetten van coachworkshops met een gedragsveranderingsmodel om de implementatie van het programma te maximaliseren.
Barden et al., 2021 (klik op de naam om de volledige paper te downloaden)
Doelen De implementatie van het Activate trainingsprogramma voor blessurepreventie is nog niet beoordeeld in een praktijkcontext. Dit onderzoek had als doelen (1) het beschrijven van de kennis en percepties van coaches en spelers in het rugby op schoolniveau met betrekking tot blessurerisico en -preventie en Activate en (2) het evalueren van de implementatie van Activate in het rugby op schoolniveau met behulp van het RE-AIM framework.
Methoden Specifiek ontwikkelde elektronische enquêtes werden afgenomen bij coaches (inclusief ondersteunend personeel) en spelers op deelnemende Engelse scholen (2018–2020). De meeste vragen en stellingen werden beantwoord met een 7-punts Likert-schaal. Bij de nulmeting beschreven deelnemers hun bekendheid met Activate en hun percepties van blessurerisico en blessurepreventie in het rugby op schoolniveau. Na het seizoen brachten deelnemers verslag uit over het gebruik van Activate gedurende het onderzoek en over hun percepties ten aanzien van het programma.
Resultaten Bij de nulmeting was er sprake van significante verschillen tussen coaches (n=106) en spelers (n=571) ten aanzien van bekendheid met Activate (respectievelijk 75% en 13%; χ²=173,5, p<0,001). Coaches schatten het blessurerisico van rugby significant hoger in dan spelers, terwijl zij positievere opvattingen hadden over blessurepreventie. Na het seizoen rapporteerden coaches een hogere invoeringsgraad voor Activate dan spelers (respectievelijk 76% en 18%; χ²=41,8, p<0,001); 45% van de spelers was zich niet bewust van het gebruik van het programma. De mediane sessienaleving was twee keer per week met een mediane duur van 10–15 minuten. Dit duidt erop dat Activate niet op de beoogde manier werd geïmplementeerd; aanbevolen waren drie sessies van 20 minuten per week. Beide groepen noemden dezelfde belemmeringen voor de implementatie, zoals tijdgebrek en het gebruik van een bal.
Conclusie Coaches spelen een sleutelrol bij de beslissing om Activate te implementeren. Het bevorderen van gedragsverandering bij deze groep zal waarschijnlijk de grootste impact hebben op de toepassing van de interventie.
Barden et al., 2022 (klik op de naam om de volledige paper te downloaden)
Het op rugby toegesneden Activate trainingsprogramma voor blessurepreventie werd effectief bevonden bij een gerandomiseerd onderzoek met controlegroep en vervolgens in 2017 landelijk verspreid door de Rugby Football Union (het bestuursorgaan van de Engelse rugbybond). Er heeft echter geen beoordeling plaatsgevonden van de factoren die invloed hebben op de implementatie van Activate in de praktijk. Daarom was dit onderzoek erop gericht om een beoordeling uit te voeren van de belemmeringen en bevorderende factoren voor coaches bij de implementatie van Activate in het Engelse rugby op schoolniveau. Dit kwalitatieve onderzoek werkte met een raamwerkbenadering waarbij werd gewerkt met vier vooraf gedefinieerde thema’s die de implementatie van blessurepreventie beïnvloeden; bekendheid (met het onderwerp), motivationele determinanten, volitionele determinanten en sociaal-contextuele factoren. Er werd een doelgerichte steekproef samengesteld van rugbycoaches op schoolniveau verspreid over het land; zij namen deel aan semigestructureerde een-op-een interviews (n = 10). De uitgeschreven interviews werden thematisch gecodeerd. Deelnemers hadden een positieve houding ten aanzien van Activate, hoewel slechts zes van hen het programma invoerden. Deelnemers gaven aan dat spelers zich doorgaans niet bewust waren van het programma en sommigen suggereerden daarbij dat dit geen probleem was, omdat coaches de beslissing namen tot invoering van Activate. Deelnemers legden sterk de nadruk op het inzetten van middelen om de bekendheid, de kennis en het vertrouwen bij coaches te vergroten. Geen enkele deelnemer implementeerde Activate zoals oorspronkelijk ontworpen; tijd en betrokkenheid speelden hierbij een rol. In plaats daarvan werd het geïntegreerd in trainingsoefeningen in plaats van als een blok aan het begin van de sessie. Deelnemers pasten het programma aan om het geschikt te maken voor meerdere sporten. Sommige deelnemers gaven aan dat zij spelers vroegen om Activatetoe te passen – ondanks hun gebrek aan bekendheid (met het onderwerp) – wat vragen oproept over de implementatie. Deelnemers pasten de toepassing van Activate in hoge mate aan aan hun eigen context. Hoe dit de effectiviteit van Activate bij het verminderen van het blessurerisico beïnvloedt, is onbekend en moet worden onderzocht. Er moet worden overwogen om spelerspecifieke verspreidingsstrategieën toe te passen als die individuen fungeren als uitvoerders.